Austin-Sparks.net

Het Werk van de Heilige Geest

door T. Austin-Sparks

Hoofdstuk 7 - De Erfenis Bezitten

Zoals we in het vorige hoofdstuk gezien hebben is het Nieuwe Testament de geestelijke tegenhanger van het boek Jozua. Het begint met het feit dat een volk, dat zijn erfenis door ongeloof verloren heeft, aan de kant wordt gezet. Dan wordt ons getoond hoe uit dat volk als het ware door opstandingskracht een nieuw volk ontstaat, een nieuwe natie, door de Jordaan heen - dat is het kruis - en we zien de absolute heerschappij van de heilige Geest, weergegeven door de man met het getrokken zwaard in de hand, de "vorst van het heer des HEREN". Het doel van dit alles? Gods volk in zijn volle erfenis in Christus te brengen. Het Nieuwe Testament spreekt hier over in geestelijke zin. Er is slechts één grote waarheid, met allerlei verschillende aspecten, namelijk dat God Zich van eeuwige tijden af in Zijn hart had voorgenomen een uitverkoren volk binnen te brengen in de volheid van Zijn Zoon, Jezus Christus.

Dit eerste hoofdstuk van het boek Jozua vinden we beknopt samengevat in een paar verzen in het Nieuwe Testament, en wel in Kol. 2:1-3: "Want ik stel er prijs op, dat gij weet..." Dit is heel belangrijk, ook in het eerste hoofdstuk van Jozua. Het volk moet het weten, er mag geen twijfel of onzekerheid zijn. "Want ik wil dat u weet, wat een strijd ik heb voor u en voor hen in Laodicea, en voor allen die mijn aangezicht in [het] vlees niet hebben gezien; opdat hun harten vertroost worden en zij samengevoegd zijn in liefde en tot alle rijkdom van de volle zekerheid van het inzicht, tot kennis van de verborgenheid van God , , in Wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn" (Kol. 2:1-3 Herziene Voorhoeve-uitgave).

Zekerheid en inzicht

Deze drie verzen zeggen ons alles waar het in het begin van het boek Jozua om gaat. De nadruk van de apostel ligt op "ten volle verzekerd" (Kol. 4:12 Vh.), volkomen zeker zijn, met een absoluut vertrouwen wat betreft datgene waartoe we geroepen zijn, alles wat de Heer voor ons heeft. Als je er na het lezen van Jozua 1 even bij stilstaat en het overdenkt, moet je wel zeggen: Er is geen twijfel mogelijk over wat de Heer hier bedoelt! Het kan geen vraag meer zijn. U hebt volle zekerheid over wat de Heer van de zaak denkt.

"Tot alle rijkdom van de volle zekerheid van het inzicht". Inzicht is een belangrijke factor bij zekerheid. Als u geen inzicht hebt, hebt u ook geen zekerheid. "Tracht te verstaan wat de wil des Heren is" (Ef. 5:17). Als je werkelijk verstaat wat de wil des Heren is, geeft dat je grote zekerheid en vertrouwen. Dat is het eerste dat we moeten begrijpen.

Ik vertrouw erop, dat u zich er geheel en al op richt dit inzicht te hebben, en dat het niet slechts passief uw belangstelling heeft. Want als je dit boek Jozua begint te lezen, bemerk je daar een enorme energie; er is niets passiefs in het hele boek. En het hele boek wordt als het ware in het eerste hoofdstuk weergegeven. Alles is positief, duidelijk, sterk. Niets is zwak; alles wordt met nadruk en gezag gezegd. Zo moet de toestand van het hart ook zijn om de volle erfenis te kunnen binnengaan. Vergist u zich niet, we drijven niet vanzelf Gods wil binnen. We komen daar alleen door fen uitgesproken verlangen om te weten wat de wil des Heren is.

Ik heb het nu niet over alledaagse dingen, hetzij privé of zakelijk. Ik heb het niet over het kennen van Gods wil in allerlei ditjes en datjes. Ik heb het over de hele wil van God die schuilt achter ons geroepen zijn door Zijn genade tot gemeenschap met Zijn Zoon (1 Cor. 1:9). Als dat in orde is, komt al het andere vanzelf op zijn plaats en krijgt in het licht daarvan zijn betekenis en waarde. Als wij op één lijn zijn met Zijn voornemen, werken alle dingen mede ten goede (Rom. 8:28). "Ik wil dat u weet, verstaat, wat de wil des Heren is".

Strijd

En zoals reeds gezegd is, is er dan met het oog op die volledige wil van God, een geweldige strijd. Overal in Jozua zien we de strijd oplaaien. Ja, het is het boek van de strijd. Daarom hebben we die volle zekerheid en een helder inzicht nodig om te zien waarom de vijand de erfenis zo fel bestrijdt. Dat hij dat doet lijdt geen twijfel. Het is duidelijk, zoals we al gezegd hebben, dat je, zodra je verder komt in je christelijk leven en verlangt door te gaan met God in de grotere volheid van Zijn voornemen, je plotseling op nieuwe wijze een geweldige geestelijke tegenstand krijgt, uit elke mogelijke hoek en op alle mogelijke manieren. Waarom is dat zo? Het is uiterst belangrijk dat we inzicht in deze zaak hebben.

U hoeft de brief aan de Kolossenzen en die aan de Efeziërs maar te lezen en het waarom van de strijd wordt u heel gauw duidelijk. De strijd is niet minder hevig dan de verzoeking van de Here Jezus in de woestijn, waarheen de heilige Geest Hem leidde. De vijand had geprobeerd Hem op verschillende manieren te pakken, maar uiteindelijk kwam het eigenlijke punt naar voren: "de koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid" (Mat. 4:8). Aha, nu is het zonneklaar, nu zien we waar het om gaat. Dat is geen kleine zaak. "De god dezer eeuw" (2 Cor. 4:4), "de overste dezer wereld" (Joh. 12:31), "de overste van de macht der lucht" (Ef. 2:2), "de wereldbeheerser dezer duisternis" (Ef. 6: 12) - al deze titels van de tegenstander geven aan dat hij een machtig koninkrijk heeft en een geweldig verstrekkende invloed, die hij ten koste van alles in stand wil houden. Maar hij weet dat Christus en Zijn gemeente bestemd zijn om hem uit zijn koninkrijk te zetten, het van hem af te nemen en tot in alle eeuwigheid Zelf die plaats in te nemen.

Als we hierin inzicht hebben, geeft dat ons zekerheid, vertrouwen en kracht. We dienen te beseffen dat niets minder dan dit de reden van de strijd is, die zich zo vaak richt op kleinere dingen, die onbeduidend schijnen. De bedoeling is altijd ons uit te schakelen, in plaats van dat wij hem uitschakelen. En daarom hebben wij "de volle zekerheid van het inzicht" nodig. Niets verzwakt en breekt zozeer af als gebrek aan inzicht. Wij moeten de Here vragen ons inzicht te geven.

1) Een levende eenheid

Dit inzicht hangt van verscheidene dingen af. In de eerste plaats hangt het af van een levende eenheid met de Here Zelf. We lezen in Jozua 1 het voortdurend herhaalde: Ik ben met u - Ik ben met u, wat de eenheid aangeeft tussen de Here en Zijn volk. Dat is het eenvoudige, maar fundamentele begin op het punt van Gods wil. Tenzij er een echte, levende eenheid tussen de Here en u is, verstaat u niet wat God wil met uw leven, en met uw roeping door Zijn genade. Deze eenheid en verbondenheid met de Here Zelf is de grond waarop we inzicht krijgen in die strijd waarin we gewikkeld zijn. Pas als die eenheid er is, begint de strijd.

Let op het volgende. Hoewel Jezus Gods Zoon was voor Zijn geboorte en bij Zijn geboorte en de dertig jaar daarna, gebeurde er toch iets bijzonders na Zijn doop op dertigjarige leeftijd. God, de heilige Geest, daalde op bijzondere wijze op Hem neer en verenigde Zich met de Zoon des Mensen. En toen begonnen de moeilijkheden, toen brak de strijd los, toen kwam de vijand tevoorschijn! Hij wilde tussen die twee in komen, tussen de Vader en de Zoon en daar waren zijn aanvallen op gericht. Ik kan daar nu niet dieper op ingaan, maar het is buiten alle twijfel dat het doel van de vijand was om tussen Christus en de Vader in te komen, een wig tussen hen te drijven om ze te scheiden. Dat zou zijn grote overwinning zijn. Als dat hem zou lukken, had hij alles, dan had hij de hele strijd gewonnen. Deze eenheid was noodzakelijk en wezenlijk voor Gods eeuwig voornemen; het was de grond van de overwinning in de strijd. Denk eraan dat het altijd de bedoeling van de vijand is om u weg te krijgen van de Heer, om verwijdering te scheppen, een breuk tot stand te brengen om die daarna zo wijd mogelijk te maken, net zolang tot u tot de ontdekking komt dat u hier bent, maar de Here daar. De Here is niet meer met u, Hij is ergens anders. Dat probeert de vijand altijd te doen, op duizend verschillende manieren, want hij weet dat, zolang u en de Here samen zijn, zijn hoop ijdel is. Deze zekerheid en dit inzicht hangt dus daarvan af dat we onze eenheid met Christus bewaren.

2) De Geest hebben

Dit betekent uiteraard, zoals ik al aangaf, dat we de Geest hebben. Een christendom zonder de heilige Geest is iets wat de vijand wel aanstaat en dat zijn doel dient. Een ongeestelijk christendom, een christendom dat niet werkelijk het christendom van de heilige Geest is, vindt de vijand schitterend en houdt hij graag in stand. En hij heeft helaas veel succes. Velen die de naam christen dragen, zou je dezelfde vraag kunnen stellen als die Paulus stelde aan de Efeziërs: "Hebt gij de heilige Geest ontvangen, toen gij tot het geloof kwaamt?" (Hand. 19:2). Alleen als we de heilige Geest hebben, hebben we de basis waarop we inzicht in Gods wil hebben, en Gods grote doel met onze verlossing verstaan. Alleen dan begrijpen we ook de listen van de duivel en de woede van de tegenstander.

3) Wandelen in de Geest

Maar dat is niet genoeg. Deze "volle zekerheid van het inzicht" is niet iets wat je in een keer verkrijgt, het moet zich ontwikkelen. Alleen als we wandelen in de Geest zullen we deze zekerheid kennen. Hoewel de Geest nog niet uitgestort was, bedoelde de Here Jezus dit toch toen Hij sprak over "blijven": "Blijft in Mij, gelijk Ik in u...", "Indien gij in Mij blijft..." (Joh. 15:1-10). Later wordt dit in de brieven uitgelegd als het wandelen in de Geest en door de Geest (Rom. 8; Gal. 5: 11-25, enz.). Ons groeiend inzicht en daardoor onze groeiende zekerheid hangt af van ons blijven in Hem en ons wandelen in en door de Geest. Dit is allemaal in het boek Jozua besloten.

4) De kracht van Zijn opstanding

En dan nog een ding. Het hangt ook af van het kennen van de kracht van Zijn opstanding (Fil. 3:10). Wat een grote plaats neemt de kracht van de opstanding in, in het hele boek Jozua. Dit volk was een "opstandings-volk". Ze stonden tegenover de generatie die in de woestijn gestorven was. Zij leefden terwijl de anderen gestorven waren; zij gingen door de Jordaan, het beeld van de dood, en kwamen er aan de overzijde triomfantelijk weer uit, als uit de dood. Hierover staat nog meer in Jozua, maar kort gezegd: dit volk had de voortdurende ervaring van de kracht van Zijn opstanding .

Door die kracht van de opstanding leren we veel, we krijgen veel inzicht en grote zekerheid daardoor. In deze strijd met de dood leren we net als Paulus, iets van de kracht van Zijn opstanding, maar we komen soms wel in ervaringen terecht, waar de omstandigheden sterker schijnen dan het leven van God in ons. Daar ervaren we werkelijk iets van de dood, van dat doodvonnis dat over ons is uitgesproken en, zoals Paulus, wanhopen we zelfs aan ons leven (2 Cor. 1:8-10). Daar leren we met Paulus iets van de kracht van de opstanding. Zo worden we tot een grotere mate van de volle zekerheid van het inzicht gebracht, en door dit inzicht worden we sterk.

Ja, we kunnen iets leren in deze doodservaringen. Als we ons daarin bevinden, moeten wij paraat zijn en zeggen: "Er ligt winst in deze ervaring van de dood, die ik eruit wil halen; er zit bij wijze van spreken "munitie" in wat ik tegen de vijand kan gebruiken. Ik ga hiervan iets leren. Ik kom hier uit door de kracht van Zijn opstanding en het brengt me iets dat meetelt voor de erfenis." De vijand zou ons het liefst willen overweldigen in zulke diepe momenten, hij wil het zover laten komen dat we er in ondergaan. Prijs God, de Geest is met ons en Hij brengt ons telkens weer binnen in de opstandingskracht.

Dit is de viervoudige basis van "de volle zekerheid van het inzicht", en de apostel noemt dat de "rijkdom". Deze ontwringen we als het ware aan het land; we graven het op uit deze mijnen, we houwen het uit deze bergen van het hemelse land. "In wie al de schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn." Wat een geweldig woord is dat. Denk ook aan dat woord uit Deut. 8:9b: "Een land, waarvan de stenen ijzer zijn en uit welks bergen gij koper zult houwen". Het waren verborgen schatten, die uitgehouwen moesten worden. Het houweel moet er aan te pas komen om de schatten van een diepe en duistere plaats in onze geestelijke ervaring tevoorschijn te halen.

De balans opmaken

Dit klinkt misschien allemaal heel inspirerend, maar in Jozua 3 lezen we iets, wat vaak over het hoofd gezien wordt. "Toen stond Jozua des morgens vroeg op, en hij en al de Israëlieten braken op van Sittim en kwamen tot aan de Jordaan, waar zij overnachtten, voordat zij overtrokken. Na verloop van drie dagen gingen de opzieners de legerplaats door en zij gaven het volk dit bevel..." (Jozua 3:1-3).

Ze verbleven drie dagen voor de Jordaan voordat ze erover trokken. Ze konden er niet meteen maar binnensnellen. Het was niet iets wat je kon doen op grond van een impuls. Wij kunnen denken dat het een geweldige gedachte is: "de volheid van Christus", "de erfenis", deze "schatten van wijsheid en kennis" - wonderbaar! geweldig! Maar wacht eens even: er staat u een lange en zware strijd te wachten. U kunt deze erfenis niet binnen zonder dat het u iets kost, zonder werkelijke strijd. Wacht even! Menig christenleven had heel wat ellende bespaard kunnen worden als men aan het begin meer en dieper stilgestaan had bij wat het allemaal inhield.

Waar zijn wij toe geroepen? Zijn we geroepen voor een godsdienstige picknick, een leventje van geestelijke vrolijkheid? Waar zijn we toe geroepen? De Here Jezus liet geen onzekerheid bestaan over de kosten van het discipelschap. Maar, helaas, wat klinkt het evangelie vandaag anders. Je zou denken dat het een grote pleziertocht was. Iemand die erg graag mocht skiën, zei eens: "Mijn idee over de hemel is dat het een eeuwigdurende zoef naar beneden is, zonder dat je weer terug hoeft te lopen." Je zou haast denken dat dat het christelijk leven is, door alles wat je hoort. Het gevolg is dat de meesten niet erg ver gaan; of ze stoppen te vroeg of ze leggen het bijltje er helemaal bij neer.

Daarom was hier bij de Jordaan een pauze van drie dagen, voordat het volk de rivier inging, voordat ze zich erin "stortten". Ze konden alles nog eens overwegen en de kosten berekenen. "Betekent het dit?" We moeten eerlijk zijn in onze verkondiging. We hebben Gods wil in dit alles benadrukt, we hebben u opgeroepen om door te gaan, we hebben gesproken over de rijkdom en de heerlijkheid van de erfenis, over de schatten van wijsheid en kennis, maar we moeten eerlijk zijn en daarom zeggen we u: neem tijd om alles onder ogen te zien. Leg een stevig fundament, zodat u, wanneer later de moeilijkheden komen en de vijand u overvalt, kunt zeggen: ja, maar ik heb alles overwogen. Ik heb de kosten berekend. Ik heb onder ogen gezien wat het zou betekenen. Ik ben hier niet in terechtgekomen op grond van een impulsieve gedachte. Ik heb alles heel goed doordacht. Ik weet waarom ik hier, in deze situatie, ben.

Het is uitermate belangrijk om "drie dagen" te pauzeren voordat u optrekt. Dat hoeft u uiteraard niet letterlijk te nemen, maar het geeft wel een toestand van het hart aan, een overwegen van alles in Gods tegenwoordigheid.

Geestelijke hulpbronnen

Er is nog een ander aspect. Tijdens die drie dagen "bereidden ze hun teerkost". De opzieners zeiden tegen het volk: "Bereidt u teerkost" (1:10,11). U moet iets hebben om door te kunnen gaan. U hebt ondersteuning nodig, hulpbronnen om deze tocht te maken. Als binnenkort het manna ophoudt en men zich kan voeden met het koren van het land, verandert de situatie misschien. Maar hier is een crisis, hier is een keerpunt. En om u door die crisis heen te brengen, hebt u een werkelijk geestelijk fundament nodig, stevige kost.

Hier zien we de noodzaak om jonge bekeerlingen, of hen die verder willen met de Here, grondig onderricht te geven. Ze hebben onderricht nodig, ze moeten het Woord van God tot zich nemen. Wat een droevige toestand is het, vol geestelijke onvolwassenheid, zwakheid en nederlaag, als er in de crisis niet een voldoende basis van het Woord aanwezig is. Laten we daarom een waarachtig fundament leggen en er op toezien dat er teerkost is, voedsel, hulpbronnen waardoor we versterkt worden om door te gaan.

De erfenis in bezit nemen

"Toen Jozua oud en hoogbejaard was, zeide de HERE tot hem: Gij zijt oud en hoogbejaard, en er is nog zeer veel land overgebleven om in bezit te nemen." (Jozua 13:1)

"Daarom zeide Jozua tot de Israëlieten: Hoelang zult gij traag blijven, om het land in bezit te nemen, dat de HERE, de God uwer vaderen, u gegeven heeft?" (Jozua 18:3)

Misschien vindt u dat het eerste vers in tegenspraak lijkt met wat ik hiervoor gezegd heb over de jonge man Jozua. Wilt u dan nog eens even nadenken. Wat hier staat is zeer bemoedigend voor oude mensen, zeker geen ontmoediging! Het belangrijkste deel van Jozua's werk begon toen. Tot dan toe had hij het volk aangevoerd in de strijd tegen de vele vijanden en hij had het land veroverd, maar hij had hen nog niet in hun volle erfenis binnengebracht. Vanaf dit moment (Jozua 13) lezen we over de vestiging in het erfdeel. Jozua doet veel om het werk te consolideren. Daar gaat het om. We mogen niet ophouden voordat we binnen zijn gegaan in alles wat God bedoeld heeft. De tragedie hier is dat het volk te gauw ophield. Dat is nu juist de reden dat we dat meest tragische bijbelboek hebben, het boek Richteren.

De brief aan de Hebreeën is één groot argument om niet te vroeg te stoppen. "Laten wij daarom het eerste onderwijs aangaande Christus laten rusten en ons richten op het volkomene, zonder opnieuw het fundament te leggen..." (Hebr. 6:1). "Laten wij daarom op onze hoede zijn, dat niemand van u, terwijl nog een belofte van tot zijn rust in te gaan bestaat, de indruk zou wekken achter te blijven" (Hebr. 4: 1). Dat is de grote last en het doel van die brief: door te gaan! Daar zijn twee kanten aan.

Eerst zien we hier een gebiedende wijs. In Jozua 1 lezen we: "Maak u gereed, trek over..." We moeten, omdat de Here het wil en ons er toe roept. In de tweede plaats zien we de voltooide tijd: "...heb Ik u gegeven" (Jozua 1:3 S.V.). "Ik heb... het is van u". En dan lezen we de duidelijke opdracht: u moet binnengaan, het in bezit nemen. Dat moet. Maar als dat 'moet' te hard klinkt, als het als het ware een last en een druk op het christenleven legt, denk er dan aan dat wat God zegt dat gedaan moet worden, ook gedaan kan worden. Gods geboden zijn Gods mogelijkheden, Gods machtigingen. Als Hij zegt: "Gij zult", bedoelt Hij: "Gij kunt". En omdat het moet zijn, en kan zijn, behoort het ook zo te zijn. Dat zijn de twee kanten: het gebod en Gods voorziening voor alles wat Hij wil. Wat Hij eist, maakt Hij mogelijk en daar voorziet Hij in; ja, Hij zet Zich er voor in.

Gods geboden zijn Gods mogelijkheden

Gezien het feit dat deze weg van Gods volledige voornemen zo moeilijk, pijnlijk en kostbaar kan zijn, en gezien alle strijd die het met zich meebrengt, is het wonderlijk en geweldig hoe wij het overleven, ja meer dan dat. Als ergens het wonder van Zijn soevereine genade en kracht geopenbaard wordt, is het wel op dit punt van Gods volledige voornemen. Als we daarin leven, beleven we de "wonderbare werken Gods". Misschien staat Hij daarom juist toe dat het zo'n moeilijke en omstreden weg is, zodat Hij Zijn wonderbare werken kan tonen. Zó moeten wij het Woord van God lezen; in dat licht moeten we Abraham en Paulus en anderen zien: mensen die hun hele leven blootgesteld waren aan alle mogelijke beproevingen, lijden en tegenslagen, verdriet en teleurstellingen, maar die uiteindelijk op wonderbare wijze triomfeerden. In de bijbel lezen wij het verslag van hun heerlijke overwinning.

U kunt onmogelijk het elfde hoofdstuk van Hebreeën lezen zonder u elke keer weer opnieuw te verbazen. Ik zeg tegen mezelf: ik zou het niet kunnen. We weten allemaal dat we het niet zouden kunnen. Luister: "In geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben" (vers 13). Wat gaat u daarmee doen? Ze zijn gestorven zonder de beloften verkregen te hebben! De een na de ander stierf zonder de beloften verkregen te hebben. En toch staat er: "In geloof zijn deze allen gestorven". Ze zeiden niet toen ze stierven: "God heeft het beloofd en het niet vervuld. God is niet trouw geweest aan Zijn belofte. Ik geef het nu maar op. Ik kan God niet meer geloven..." "In geloof zijn deze allen gestorven, zonder... verkregen te hebben..." In geloof, zonder verkregen te hebben... Ik zeg u, ik zou dat niet kunnen. Maar God kan het, Zijn genade kan het.

Waar God ons toe roept, daar stelt Hij ons ook toe in staat. Het kan, omdat het, van Gods standpunt uit gezien, moet. Ik vertrouw erop dat u iets gezien hebt van de duidelijk omschreven wil en het voornemen van God voor ons. Hij heeft ons geroepen tot gemeenschap met Zijn Zoon. Daartoe heeft Hij Zijn Geest gegeven, om dat tot stand te brengen. U ziet waar wij in betrokken zijn en hoe vastbesloten God ertoe is. Wanneer wij erop ingaan, zegt Hij: "Ik ben met u, overal waar gij gaat."

T. Austin-Sparks wilde dat wat om niet werd ontvangen ook om niet wordt gegeven, zodat zijn boeken en artikelen geen copyrights kennen - toen noch nu. Het gebruik van deze artikelen slaat u dus vrij, maar als u iets van deze site doorgeeft aan anderen vragen we u wel dit net zo te doen, d.w.z. zonder aanpassingen, kosten of copyrights.