Austin-Sparks.net

In de Leerschool van Christus

door T. Austin-Sparks

Hoofdstuk 4 - Het Huis van God

“In gezichten Gods bracht Hij mij naar het land van Israël en zette mij neer op een zeer hoge berg; daarop was iets als een stad gebouwd aan de zuidzijde. Toen Hij mij daarheen gebracht had, zie, daar bevond zich een man, die er uitzag als was hij van koper, met een linnen snoer en een meetroede in zijn hand; hij stond in de poort. De man sprak tot mij: Mensenkind, zie met uw ogen en hoor met uw oren en richt uw opmerkzaamheid op alles wat ik u zal laten zien; want opdat ik u dit zou laten zien, zijt gij hierheen gebracht. Verkondig alles wat gij zien zult, aan het huis Israëls” (Ezechiël 40:2-4).

“Gij nu, mensenkind, vertel het huis Israëls van de tempel – opdat zij zich schamen over hun ongerechtigheden – en laten zij het model nameten, en als zij zich schamen over alles wat zij bedreven hebben, maak hun dan bekend de vorm van de tempel en zijn inrichting, zijn uitgangen en zijn ingangen, al zijn vormen, al zijn voorschriften, al zijn vormen en al zijn wetten, en schrijf die op voor hun ogen, opdat zij al de vormen en voorschriften ervan nauwgezet ten uitvoer brengen” (Ezechiël 43:10,11).

Je weet waarschijnlijk dat God Ezechiël riep in een tijd dat alles verloren was gegaan. Alles waardoor God vroeger Zijn gedachten in type kenbaar had gemaakt te midden van Zijn volk, was afgebroken. Het volk was geestelijk en letterlijk ver van deze dingen vandaan – ver van dingen als de tempel en Jeruzalem. Toen nam de Here Zijn dienstknecht Ezechiël en bracht hem in visioenen van God naar het land terug. Hij zette hem op een hoge berg en liet hem de stad zien en dat grote, nieuwe, geestelijke en hemelse huis. Heel uitvoerig en volledig en tot in de kleinste bijzonderheden nauwkeurig werd het hem getoond en verklaard. De profeet werd naar elk plekje en hoekje gebracht. Stap voor stap werd hij rondgeleid door die hele geestelijke tempel – van binnen en van buiten, van onder tot boven, er rond omheen en er dwars doorheen. En intussen gaf de engel met de meetroede aldoor de afmetingen en maten van alles. Het was een bijzonder uitgebreide beschrijving van dit hele geestelijke huis. Daarna, nadat hij alle vormen en verordeningen had gezien, de priesters, de offers en al het andere, werd hem opgedragen het te laten zien aan het huis Israëls en hun alle bijzonderheden van de Goddelijke gedachten te geven.

In een vorig hoofdstuk hebben we in dat verband gezegd dat altijd wanneer er van Gods gedachte wordt afgeweken, wanneer de oorspronkelijke openbaring van God verloren dreigt te gaan, wanneer het hemelse, het geestelijke, de Goddelijke kracht te midden van Zijn volk niet meer werkzaam is, en wanneer de heerlijkheid verdwijnt, de Here op zo’n toestand reageert door Zijn Zoon opnieuw onder de aandacht te brengen. Ook zagen we hoe Johannes in zo’n tijd in de geschiedenis van de Gemeente in het begin, toen de aanvankelijke heerlijkheid aan het veranderen was, door de Heilige Geest werd gebruikt om door zijn evangelie, zijn brieven en het boek Openbaring de Here Jezus ten volle, op een hemelse en geestelijke manier opnieuw in het licht te stellen. En we bedachten dat het Johannesevangelie praktisch het laatst geschreven nieuwtestamentische boek is. Zodat het wat geestelijke waarde en betekenis betreft, werkelijk na alles komt wat verder in het Nieuwe Testament geschreven is. Dat wil zeggen dat het laat zien hoe God in een tijd dat het mis ging, ingrijpt met een nieuwe openbaring van Zijn Zoon op het punt van Zijn hemelse en geestelijke karakter.

Ik wil hier nog even op doorgaan. Daarvoor slaan we het eerste hoofdstuk van het evangelie van Johannes op. Let op hoe God hier opnieuw Zijn volle gedachte en bedoeling voor Zijn volk naar voren brengt. Want het is Christus die de volheid is van Gods bedoeling voor ons. Zoals de man met het meetsnoer in het visioen van Ezechiël allerlei details opmeet, is de Heilige Geest gekomen met het specifieke doel ons alle aspecten van Christus te geven en ons daarin binnen te leiden. Zodat we een volledig en nauwkeurig beeld krijgen van de Goddelijke gedachte in Christus, waarin we worden binnengebracht.

In Johannes 1 zie je dat dit nieuwe, grote en eeuwige aan je wordt voorgesteld: “In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.” Dat is de eeuwige achtergrond van Gods gedachte. Iets verder lezen we: “Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond” (:14). Daar komt de Goddelijke gedachte uit de eeuwigheid en wordt in het midden neergezet, vol en volledig. Al Gods gedachten zijn samengevat in Zijn Zoon, de grote Eeuwige Gedachte midden tussen de mensen, in de Persoon van Christus. Aan het eind van dat eerste hoofdstuk staat dan iets heel moois, als je de betekenis daarvan ziet. Het is het woord dat tegen Nathanaël gezegd werd. Tegen Nathanaël, die niet zoals Petrus, Jacobus of Johannes tot de intiemste kring behoorde, maar tot de wijdere kring om Christus heen. Daarom wordt wat tegen hem gezegd wordt, tegen iedereen gezegd.

“Gij zult de hemel open zien en de engelen Gods opstijgen en nederdalen op de Zoon des mensen.”

Bethel – Het Huis van God

Voor de betekenis hiervan denken we onmiddellijk terug aan het Oude Testament, aan het boek Genesis. Jakob is op reis en onderweg slaapt hij ’s nachts ergens in het open veld, onder de blote hemel. Hij bevindt zich als het ware tussen hemel en aarde. Dan ziet hij een ladder op de aarde staan, waarvan de top tot in de hemel reikt. Engelen dalen daarlangs af of klimmen omhoog. En bovenaan de ladder staat de Here. En de Here spreekt tot hem. Jakob wordt wakker en zegt: “Waarlijk, de Here is aan deze plaats en ik heb het niet geweten. Dit is niet anders dan het huis van God!” En hij noemde die plaats Bethel – het huis van God.

De Here Jezus betrok dat op Zichzelf in wat Hij tegen Nathanaël zei. Indirect zei Hij: “Ik ben Bethel, het Huis van God. Ik ben niet helemaal van de aarde, al ben Ik op aarde. Ik ben in de hoedanigheid die Ik nu heb ook niet helemaal van de hemel, al ben Ik daar wel mee verbonden. Ik ben hier tussen hemel en aarde, de plaats van ontmoeting van God en mens, het Huis van God, in wie God spreekt, in wie God is geopenbaard. Hij spreekt in Zijn Huis, Hij is geopenbaard in Zijn Huis – Ik ben het Huis van God. Wat God wil meedelen aan deze wereld is in Mij en in Mij alleen. Niemand komt tot de Vader dan door Mij.” Hij had ook kunnen zeggen, al staat dat nergens zo: “De Vader komt tot niemand dan door Mij.”

Dat Huis van God, belichaamd door Christus, is de gedachte die tot het praktische getuigenis in de doop leidt: Jezus – Gods Huis. We weten natuurlijk dat elk ander huis in de bijbel alleen een beeld is van Hem. Of het nu de tabernakel in de woestijn is of de tempel van Salomo, of een latere tempel die dezelfde functie vervullen moest, of iets meer geestelijks dat in het Nieuwe Testament de Gemeente genoemd wordt, het is niet iets anders dan Christus. Het ís Christus. In Gods gedachten is de Gemeente of het Huis van God alleen Christus en niets anders dan Christus, en ook niets meer dan Christus.

Het punt dat de Here nu denk ik wil benadrukken is dat Hij alles definitief, overtuigend en uitsluitend verbonden heeft met Zijn Zoon. Je kunt niets van God ontvangen, behalve in Christus, door openbaring van de Heilige Geest; Hij is het die Christus in ons hart openbaart. De Here Jezus, Gods Huis, vervult alle functies die in die andere huizen in het Oude Testament werden uitgebeeld.

Om te beginnen de allerheiligste plaats, het Heilige der Heiligen. In Hem is het Heilige der Heiligen, waar God werkelijk persoonlijk Zijn woning heeft. God is in Christus. In niemand anders woont Hij op dezelfde manier. Het is waar dat de Vader ook in ons woning zal maken. Maar er is een verschil. Doordat de Vader in ons gaat wonen, worden we niet even zovele Christussen. De ware God woont niet op dezelfde manier in ons als in de Zoon. We zullen straks het verschil zien. Gods wonen in Christus is uniek. De allerheiligste plaats is alleen in Hem.

In Hem spreekt God. Dat wil zeggen, in Hem is Gods stem, die met gezag spreekt, het hoogste gezag. Het uiteindelijke gezag van Gods stem is in Christus en in Christus alleen. De drie discipelen op de berg der verheerlijking waren naar ziel en lichaam in een zeer verheven positie. Het was een buitengewoon wonderlijke ervaring, een geweldige geestelijke gebeurtenis. Maar toch … als je in zo’n verheven en opgetogen geestelijke stemming bent, vol geestelijke aspiraties, kun je evengoed de pijnlijkste fouten maken. Zo zei Petrus, uit de zuiverste motieven en met de beste bedoelingen: “Here, het is goed dat wij hier zijn; indien Gij het wilt, zal ik hier drie tenten opslaan, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elia een.” En terwijl hij nog sprak – alsof God hem snel onderbrak en hem geen kans gaf uit te spreken, maar zei: “Hou op!” – terwijl hij nog sprak, zie, daar overschaduwde hen een wolk en een stem uit de wolk zei: “Deze is Mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik Mijn welbehagen heb; hoort naar Hem.” Kom niet met jouw gedachten en ideeën in deze toestand. Het laatste woord van gezag is in Hem. Jij moet stil zijn voor Hem. Jouw geestelijke extase mag hier geen plaats hebben. Je mag zelfs door je meest verheven gevoelens niet beïnvloed worden. Gods gezaghebbende stem in Christus heeft het laatste woord. God spreekt in Hem, zoals vroeger in het heiligdom (zie Ex. 25:22).

Zo kunnen we door de hele tabernakel of tempel gaan, elk onderdeel nemen en Hem zien als de vervulling van dat alles. Hij is het Huis van God, waar je God kunt vinden en waaruit God spreekt.

Het Gemeenschappelijke Huis van God

Wat is nu het Huis van God in zijn volste betekenis, in zijn gemeenschappelijke of collectieve betekenis? Het is – om die prachtige uitdrukking te gebruiken die bijna tweehonderd keer in het Nieuwe Testament voorkomt – alles wat bedoeld wordt met “in Christus”. Als we in het Huis van God zijn, zijn we daar alleen maar omdat we in Christus zijn. In Christus zijn is in het Huis van God zijn. Niet in Christus zijn houdt in dat je buiten het Huis van God bent. Hij is het Huis van God. Wij zijn in Hem gebracht.

Maar in Christus zijn betekent, dat alles wat niet Christus is volledig uitgesloten is. In een vorig hoofdstuk hebben we ons best gedaan duidelijk te maken dat Christus absoluut en helemaal anders is dan wijzelf. Zelfs als we op ons best zijn. Hoe totaal anders is Hij dan de mens, al is die ook nog zo godsdienstig. Anders in denken, anders van hart en van wil. Hij is helemaal anders van aard, zodat het ons ons hele leven kost om door de onderwijzing van de Heilige Geest te ontdekken hoe anders wij zijn dan Christus, en hoe anders Hij is dan wij. Maar God heeft dat verschil van het begin af voorzien en ingepast. God heeft niet de tijd van een mensenleven nodig om dat te ontdekken. Hij weet het, en daarom heeft Hij al direct in het begin Zijn eigen onwrikbare standpunt gesteld. Eigenlijk zegt Hij: Het verschil tussen jou en Christus is zo compleet, zo finaal, dat het zo breed en zo diep als een graf is! Het is niets minder dan het verschil tussen dood en leven. Je kunt niet over dat graf heen. De dood en het graf betekenen het einde. Aan de ene kant is er daarom het absolute einde van wat jij bent. En als er daarna nog ooit iets zijn zal, dan staat dat aan de andere kant, met die dood ertussen. Er kan niets op volgen of het moet door opstanding zijn: overgaan uit jezelf en in Hem als door een dood en een opstanding. Je wordt door die dood beschouwd als verdwenen uit het gebied van wat jij bent, hoe goed je ook mag zijn, en overgegaan in het gebied van wat Hij is. Tussen jou en Hem ligt de diepte van een graf en daar kun je niet overheen. Het is het einde.

Dat betekent het om in het Huis van God te komen.

Het Altaar

Zo zie je, als we teruggaan naar Johannes 1, dat de waarheid hier al naar voren gebracht wordt. Later in het Nieuwe Testament wordt het vollediger en duidelijker uitgewerkt, als de Heilige Geest met dat doel gekomen is. Hij is gekomen om de woorden van Christus op te pakken en ze uit te werken tot hun volle betekenis. Maar in Johannes 1, lang voordat er sprake is van het Huis van God, wordt dit woord een paar keer herhaald: “Zie, het lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.” Vóór je bij het Huis kunt komen, moet je altijd eerst naar het altaar. Zo was het in de tabernakel en zo was het in de tempel. Je kunt nooit in het heiligdom komen, in het eigenlijke Huis, zonder eerst bij het altaar te komen. Daar staan het lam, Gods lam, en het altaar, en ze versperren je de weg naar het heiligdom.

Dat lam spreekt van sterven in onze plaats – wij houden op te bestaan. Wij worden eerst met Christus geïdentificeerd in Zijn dood. Zijn dood is onze dood. Dan, op grond van Zijn kostbare bloed, dat vanaf het altaar helemaal tot het Heilige der Heiligen gesprenkeld wordt, op grond van dat kostbare bloed is er een weg ten leven. Het is Zijn bloed, niet dat van ons. Niet ons herstelde leven, of ons verbeterde leven. Helemaal niet ons leven, maar dat van Hem. Het is op grond van Christus en Zijn leven dat we bij God kunnen komen. Er was geen enkele hogepriester die het waagde in Gods tegenwoordigheid te komen of het moest zijn op grond van kostbaar bloed, het bloed van het lam, bloed van het altaar. Zie het lam Gods! Dat staat dwars op de weg naar het Huis. Het doodsoordeel over wat wij zijn.

Ik hoop dat deze aanwijzingen je zullen helpen om veel meer te zien dan ik nu kan zeggen.

Maar waar het nu in het bijzonder om gaat is dat we in Christus zijn en daarom in Gods Huis. Het Huis van God is Christus. En als we spreken over Gods Huis als iets gemeenschappelijks, iets gezamenlijks, waar wij in zijn, is dat alleen omdat we in Christus zijn. Zij die in Christus zijn, zijn in Gods Huis. Zij zijn Gods Huis door hun eenheid met Hem. Ze zijn op de plek gekomen waar God is, waar God spreekt, en waar Gods gezag in Christus absoluut is. Dat leidt onze gedachten direct naar de Kolossenzen, naar de woorden van Paulus: “… en Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente” (Kol. 1:18). We zien het Lichaam en zijn Hoofd. Dat Christus Hoofd is betekent dat Gods gezag is toegekend aan Hem. Hij heeft de heerschappij.

De Doop

Nu zie je twee dingen. De eerste stap naar het Huis is het altaar, de dood. Dat is wat de doop moet laten zien. Wij nemen onze plaats in in Christus die ons vertegenwoordigt, als het einde van alles wat we in onszelf zijn. Niet alleen onze zonden zijn weggedaan, maar wijzelf, wij die zo totaal anders zijn dan Christus. Vanuit Gods standpunt is dit het einde van ons. Laten we dat goed begrijpen. In de dood van Christus heeft God een einde aan ons gemaakt wat betreft ons natuurlijke leven. Gods standpunt is dat in de opstanding van Christus en in onze eenwording met Hem wij het niet langer zijn die bestaan, maar dat het alleen Christus is die bestaat. Het werk van de Heilige Geest in het kind van God is om in hem waar te maken wat bij God al een voldongen feit is. We hoeven niet te sterven, we zijn al dood. We moeten onze dood aanvaarden. Als we dat niet zien zullen we de hele tijd worstelen om onszelf ter dood te brengen. We moeten die positie innemen die bij God al definitief vaststaat, waar het ons betreft. Dat is wat Romeinen 6:11 betekent: “Zo moet het ook voor u vaststaan dat gij dood zijt voor de zonde.” Het betekent dat we de plaats innemen die God voor ons bestemd heeft, dat we daarop gaan staan en zeggen: “Ik aanvaard de positie die God voor mij heeft vastgesteld. De Heilige Geest zal verder wel voor alles zorgen, maar ik aanvaard het einde van mij.” Als jij of ik er ooit toe zou komen ons af te keren van de werking van de Heilige Geest in ons, dan is dat erger dan simpelweg weigeren door te gaan. Het is een weigering om de oorspronkelijke positie te aanvaarden. We verlaten dan het standpunt dat we eerst met Hem hadden ingenomen.

De doop is dus dat altaar, waarop God ons als gestorven in Christus beschouwt. Wij gaan daar op in en zeggen: “Die positie die God voor mij heeft vastgesteld, accepteer ik. In de doop getuig ik dat ik Gods positie voor mij heb geaccepteerd, namelijk dat ik in het Kruis tot een einde ben gebracht.” De Here Jezus is deze weg gegaan. Hij plaatste de doop meteen aan het begin van Zijn openbare leven. En vanaf dat moment, onder de zalving van de Heilige Geest, weigerde Hij beslist om Zijn eigen gedachten te volgen, buiten God om. Hij weigerde om hoe dan ook beïnvloed te worden door wat Zijn eigen menselijkheid Hem ingaf, al was Hij zonder zonde. Zijn hele leven werd Hij beheerst door de zalving – in wat Hij zei, wat Hij deed, wat Hij niet deed, waar Hij heenging en wanneer Hij ging. Elke andere invloed wees Hij af, of die nu van de discipelen kwam of van de duivel of van nog een andere kant. Zijn houding was: “Vader, hoe denkt U hierover? Wat wilt U? Is dit Uw tijd?” Eigenlijk zei Hij de hele tijd: “Niet Mijn wil, maar die van U; niet Mijn mening, maar die van U; niet wat Ik vind, maar wat U ervan vindt”! Hij was in feite al gestorven, zie je. Hij was eigenlijk al begraven. Dat had Zijn doop voor Hem betekend. En dat is waar wij staan.

De Handoplegging

Dan nu het andere punt. Wanneer we die positie in de dood hebben aanvaard, volgt de opstanding. Maar, zoals gezegd, het is een opstanding in Christus. Voor God is het zo dat we opstaan in Christus, maar ook onder Christus als Hoofd. Met andere woorden, in die opstanding zijn we onder het volle en absolute gezag van God dat aan Christus is toegekend, zodat Christus ons denken is, degene die ons beheerst. Hij is het Hoofd! En als gelovigen in het Nieuwe Testament zich hadden laten dopen, waarmee ze hun dood in Christus beleden, en weer uit het water kwamen, dan legden een paar vertegenwoordigers van de gemeente – niet altijd de apostelen – hun handen op hun hoofd en baden voor hen. De Heilige Geest maakte daardoor duidelijk dat ze in het Huis waren. De zalving die op Christus was als Hoofd, kwam nu in Christus op hen. Dat was geen andere zalving, maar een zalving in Christus (2 Kor. 1:21; 12:13).

Maar wat is dat voor zalving? Wat was de zalving voor Christus toen Hij een leven als mens aanvaardde en er in die tijd van afzag te leven en te handelen op grond van Zijn Godheid, om de verlossing van de mens als mens te bewerken? Wat betekende de zalving toen? In Zijn geval is dat heel duidelijk. De zalving betekende dat Hij in alles rechtstreeks onder de besturing van God stond en moest weigeren af te gaan op Zijn eigen oordeel of gevoel over iets. Door de zalving bestuurde de Vader Hem in alles en werd Hij zelf helemaal opzij gezet. Toen Hij zei: “Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme dagelijks zijn kruis op en volge Mij” (Luk. 9:23), en opnieuw: “Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn” (Luk. 14:27), zei Hij alleen met andere woorden: “Je kunt Mij nooit leren als het kruis niet voortdurend werkt om jou uit te schakelen en plaats te maken voor Mij, zodat je Mijn gedachten kunt accepteren. Het kruis betekent dat jij gekruisigd moet zijn aan je gedachten over de dingen. Jouw gedachten moeten onder het kruis komen. Jouw wil moet onder het kruis komen. Jouw gevoelens en je doen en laten moeten dagelijks onder het kruis komen. Dat is de manier om Mij te leren, Mijn gedachten, Mijn heerschappij, Mijn beoordeling, alles van Mij. Dat is discipelschap. Dat is de leerschool van Christus.”

Het belangrijkste in het leven van een gelovige die uit het watergraf is opgestaan, moet worden dat Christus het Hoofd is, onder de zalving. De handoplegging op het hoofd is eenvoudig een verklaring dat die persoon onder het Hoofd is. Zijn hoofd komt onder een ander Hoofd. Zijn hoofd is onderworpen aan een groter Hoofd. Tot dusver heeft zijn eigen hoofd zijn leven beheerst, maar dat zal niet langer zo zijn. Het moet onderworpen zijn aan een ander Hoofd. Deze persoon is onder Christus als Hoofd gebracht, in de zalving. De Geest betuigde dat in de eerste dagen van de Gemeente. De Geest kwam op hen, waarmee Hij verklaarde dat zij in het Huis waren waar de zalving is, om onder het bestuur van het Hoofd van het Huis te zijn.

Dit alles wordt uitgedrukt in Hebreeën 3:6: “Maar Christus als Zoon over Zijn huis. Zijn huis zijn wij.” Ik denk dat het niet nodig is hier nog iets aan toe te voegen. Wij wandelen op de weg van de hemelse openbaring van Christus. En in de doop aanvaarden we Gods standpunt over ons, namelijk dat dit het einde is van onszelf. Als in de toekomst onze oude natuur weer de kop op wil steken, moeten we hierop terugvallen en zeggen: “Ik heb eens voor altijd gezegd – ik besta niet meer!” Blijf op Gods standpunt staan.

Na de doop is het samenkomen en de handoplegging door leden van het Lichaam namens dat Lichaam, een eenvoudig getuigenis van het feit dat in Christus de dopelingen in het Huis van God zijn, onder het bestuur van Christus door de zalving, en omdat Hij Hoofd is, maakt dat ons één in Hem.

Moge de Here dit alles bij ons allemaal waar maken, een levende realiteit. Zodat we echt bij Bethel gekomen zijn en in onze blijdschap in Christus kunnen zeggen: “Waarlijk, de Here is aan deze plaats!” Het is geweldig als we geestelijk daar komen waar we dat kunnen zeggen – de Here is aan deze plaats. Ik ben waar de Here is. Dit is het Huis van God! Dat betekent eenvoudig een levend weten wat het is om in Christus te zijn, onder Hem als Hoofd en onder Zijn zalving.

T. Austin-Sparks wilde dat wat om niet werd ontvangen ook om niet wordt gegeven, zodat zijn boeken en artikelen geen copyrights kennen - toen noch nu. Het gebruik van deze artikelen slaat u dus vrij, maar als u iets van deze site doorgeeft aan anderen vragen we u wel dit net zo te doen, d.w.z. zonder aanpassingen, kosten of copyrights.